direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bolscher_Landen27-29
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0141.00029-WP31

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer exploiteert aan de Bolscher Landen 27/29 te Bornerbroek een agrarisch bedrijf in combinatie met een zorgboerderij. Hoewel deze functies functioneel een bepaalde samenhang kennen, is er in de huidige situatie sprake van een ongewenste ruimtelijke opzet waardoor er geen sprake is van een goede scheiding tussen deze functies. Zo kruisen verkeersbewegingen ten behoeve van de zorgfunctie (cliënten op het erf) met verkeersbewegingen van het agrarisch bedrijf (zwaar landbouwverkeer). Het is wenselijk deze verkeersbewegingen zoveel mogelijk gescheiden te houden zodat zich geen ongewenste situaties voordoen.

Het bouwvlak zoals opgenomen in het geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo' biedt echter onvoldoende ruimte om beide functies adequaat van elkaar te kunnen scheiden zonder dat hierbij de levensvatbaarheid van één van de functies in het geding komt. Het verplaatsen van de zorgfunctie naar een locatie elders op het erf is, mede gezien het feit dat de gebouwen ten behoeve van de zorgboerderij vrij recent zijn gerealiseerd, redelijkerwijs geen optie. Initiatiefnemer is dan ook voornemens om de agrarische bedrijfsfunctie te verplaatsen waarbij onder ander een dicht bij de zorggebouwen aanwezige veestal moet worden verplaatst. Daarnaast wil initiatiefnemer een nieuwe machineberging oprichten zodat de machines uit de kapschuur worden gehaald en de machines niet meer over het zorgerf hoeven te rijden.

Teneinde de agrarische bedrijfsfunctie op een bedrijfsefficiënte en doelmatige wijze uit te kunnen blijven oefenen is het noodzakelijk dat het agrarisch bouwvlak wordt gewijzigd en vergroot. Uitsluitend met een wijziging en vergroting van het agrarisch bouwvlak kan de agrarische bedrijfsfunctie op een doelmatige en bedrijfsefficiënte wijze voortgezet worden. In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid (artikel 4.6.1) opgenomen waarmee kan worden voorzien in deze wijziging en vergroting van het agrarisch bouwvlak.

In dit wijzigingsplan zal worden aangetoond dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in overeenstemming is met een 'goede ruimtelijke ordening' en vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Almelo, aan de Bolscher Landen 27/29 te Bornerbroek. De locatie is kadastraal bekend als Ambt - Almelo, sectie P, nummers 258, 990, 993 en 251 (allen gedeeltelijk) en 253. In afbeelding 1.1 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Bornerbroek en de ligging aan de Bolscher Landen weergegeven. De begrenzing van het plangebied wordt globaal weergegeven, voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0001.png"

Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: ArcGIS)

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het wijzigingsplan 'Bolscher_Landen27-29' bestaat uit de volgende stukken:

  • a. verbeelding (IMRO-idn: NL.IMRO.0141.00029-WP31) en een renvooi;
  • b. regels.

Op de verbeelding is de bestemming van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het wijzigingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het wijzigingsplan.

1.4 Huidige planologische situatie

Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo'. Dit bestemmingsplan is op 19 april 2011 vastgesteld door de gemeenteraad van Almelo. Op basis van het geldend bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen 'Agrarisch met waarden' en 'Bos'. Binnen het bouwvlak geldt daarnaast de functieaanduiding 'zorgboerderij'. Daarnaast zijn delen van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting'.

In afbeelding 1.2 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan opgenomen. Middels de rode lijn wordt het huidige agrarisch bouwvlak hierin weergegeven. De blauwe stippellijn geeft het gewenste agrarisch bouwvlak weer waarvoor dit wijzigingsplan is opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0002.png"

Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo' (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

Gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, waarbij ter plaatse een intensieve veehouderij is toegestaan. Naast de intensieve veehouderij is ter plaatse, vanwege de betreffende aanduiding, een zorgboerderij toegestaan. Naast deze functies worden binnen deze bestemming onder andere de bestaande bedrijfswoningen, bed & breakfast, wegen en paden en extensieve dagrecreatie toegestaan. Gebouwen (bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen) mogen uitsluitend worden opgericht binnen het agrarisch bouwvlak.

De bestemming 'Bos' is onder andere bedoeld voor bos en bebossing, houtproductie, de bescherming van natuurwaarden en extensieve dagrecreatie. Het oprichten van gebouwen is ter plaatse van het plangebied niet toegestaan. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting' is opgenomen in verband met de bescherming van de te verwachten archeologische waarden.

Zoals in de aanleiding aangegeven is het binnen het huidige agrarisch bouwvlak niet mogelijk om de gewenste ruimtelijke scheiding tussen de zorg- en agrarische functie te realiseren. Middels dit wijzigingsplan, dat voorziet in een vergroting en wijziging van het agrarisch bouwvlak, wordt het mogelijk het gewenste voornemen te realiseren.

1.5 Leeswijzer

De plantoelichting geeft een toelichting op het bestemmingsplan, maar maakt geen deel uit van het bestemmingsplan. De plantoelichting bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken:

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied.

In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente Almelo beschreven.

In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue.

Hoofdstuk 5 gaat in op de wateraspecten waaronder de watertoets.

In de hoofdstukken 6 en 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project.

Hoofdstuk 8 gaat in op het vooroverleg en inspraak.

Hoofdstuk 2 De huidige en gewenste situatie

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen ten oosten van Bornerbroek, op de overgang van het oude hoevenlandschap naar het ontginningslandschap. De (grote) oppervlakte aan voormalige heidegronden (ontginningslandschap) was oorspronkelijk functioneel verbonden met het oude hoevenlandschap (en essenlandschap). Op de heidegronden werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal. De in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden (oude hoevenlandschap). Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden de heidegronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door relatief kleine boeren en later werd de ontginning van de heidegronden planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw).

In de huidige situatie is ter plaatse van het plangebied geen heide meer aanwezig. De gronden in de omgeving van het plangebied zijn momenteel hoofdzakelijk in gebruik ten behoeve van functies als landbouw, bedrijvigheid en wonen afgewisseld met infrastructuur en landschapselementen in de vorm van bos, houtsingels en -wallen. De luchtfoto in afbeelding 2.1 geeft een beeld van de omgeving van het plangebied. Het gewenste agrarisch bouwblok wordt hierin zelf ook weergegeven middels een rode contour.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0003.png"

Afbeelding 2.1: Luchtfoto omgeving plangebied (Bron: Atlasleefomgeving)

In het plangebied zelf zijn momenteel diverse opstallen aanwezig die ten behoeve van de zorg- en/of agrarische functie staan. De twee aaneengebouwde gebouwen in het noordwesten van het erf staan ten dienste van de zorgfunctie van de zorgboerderij. De kleine stal ten zuidoosten hiervan en de langgerekte stal ten zuiden staan ten dienste van het agrarisch bedrijf. De bedrijfswoning, met het rode dak, staat voor op het erf. Achter op het erf, ten oosten van de kleine stal bevinden zich de kuilvoerplaten. Het erf wordt middels twee in- en uitritten ontsloten op de Bolscher Landen.

De gronden waarop de uitbreiding is voorzien zijn momenteel grotendeels in gebruik als landbouwgronden. In de meest zuidelijke punt van het plangebied zijn enkele bomen aanwezig die onderdeel uitmaken van het aangrenzende bos. De luchtfoto in afbeelding 2.2 geeft een goed beeld van de huidige situatie in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0004.png"

Afbeelding 2.2: Luchtfoto plangebied (Bron: Atlasleefomgeving)

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Ontwikkeling

In de gewenste situatie behouden beide functies, de zorgboerderij en het agrarisch bedrijf, een functionele relatie. Ruimtelijk gezien zal echter sprake zijn van een betere scheiding dan in de huidige situatie het geval is. Om dit ook daadwerkelijk te kunnen bereiken wordt de veestal ten zuidoosten van het zorggebouw verplaatst naar een locatie op het gewijzigde/ uitgebreide agrarisch bouwvlak en wordt een nieuwe machineberging opgericht op het gewijzigde/ uitgebreide bouwvlak. Met het oprichten van deze machineberging kan de huidige stalling van machines, de kapschuur, worden opgeheven. Op deze wijze hoeven de machines niet meer over het zorgerf te rijden. Na het onherroepelijk worden van dit wijzigingsplan zal voor deze machineberging een vergunning worden aangevraagd.

De locatie van de nieuwe veestal, of veestallen, is nog niet bekend. Na het onherroepelijk worden van dit wijzigingsplan zal hier naar worden gekeken. Uitgangspunt hierbij blijft doelmatige en bedrijfsefficiënte bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf waarbij de zorg- en agrarische functies worden gescheiden. Door de verplaatsing van de betreffende veestal kan het zorggebouw worden uitgebreid aan de achterzijde. De locatie van de nieuwe machineberging is in grote lijnen al wel bekend. In afbeelding 2.3 wordt de locatie van de machineberging indicatief weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0005.png"

Afbeelding 2.3: Situatietekening nieuwe situatie incl. machineberging (Bron: Vastbouw)

2.2.2 Inrichtingsplan

Eén van de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid luidt: "uit een inpassingsplan de ruimtelijke inpassing van het bouwvlak in de omgeving blijkt, waarbij in ieder geval aandacht dient te worden besteed aan de beeldkwaliteit van de totale erfinrichting en de landschappelijke inpassing in de vorm van aanleg van streekeigen erfbeplanting plaatsvindt."

Om hier aan te kunnen voldoen heeft Buro Stad + Land een inrichtingsplan uitgewerkt. De basis voor het inrichtingsplan wordt gevormd door het in 2008 door het Oversticht afgegeven inrichtingsadvies. Middels het inrichtingsplan wordt hier voor wat betreft het gewijzigde/ uitgebreide agrarisch bouwvlak op voortgeborduurd. Het terrein gelegen achter het gewijzigde bouwvlak wordt opgeschoond. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting. Hierna wordt een uitsnede van het inrichtingsplan weergegeven. Na deze afbeelding volgt een toelichting op het inrichtingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0006.png"

Afbeelding 2.4: Inrichtingsplan nieuwe erf Bolscher Landen 27-29 (Bron: Buro Stad + Land)

Het plangebied ligt op de overgang van het essen- en hoevenlandschap naar een jong heideontginningslandschap. Kenmerkend voor het gebied zijn bosjes, houtsingels en bomen langs wegen en op erven.

Op het erf staan verschillende bebouwingsvormen met elk een aparte verschijning. Wel zijn de woning en het zorgcomplex meer representatief in hun verschijning. De stal aan de zuidzijde kent een meer soberder uitstraling. Ook eventuele nieuw te bouwen bijgebouwen zullen moeten aansluiten op deze stal. Bijgebouwen moeten ondergeschikt zijn aan de hoofdgebouwen.

Recentelijk hebben er op het erf diverse landschappelijke inpassingen plaatsgevonden, waaronder de omvorming van een houtsingel tot bomenrij en de aanplant van fruitbomen en heesters. Vanuit de omgeving sluit de groenstructuur op het erf aan op de bestaande aanwezige beplanting. Doordat aan de westzijde van het erf een bosje aanwezig is, wordt vanaf deze zijde het erf meer open gehouden middels een bomenrij. Deze kant van het erf vormt ook de entree en het eerste aanzicht. De achterzijde van het erf (oostzijde) zal meer praktisch ingericht worden. De zuidzijde van het erf kent een open karakter.

De in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling gaat gepaard met nieuwe landschappelijke inpassingen. Een bestaand relict van een houtwal wordt versterkt door de aanplant van gebiedseigen groen. Het erf wordt hiermee niet verstopt achter groen maar behoudt een relatie met het omliggende land. Aan de oostzijde is bewust gekozen om een brede houtsingel aan te planten. Deze sluit aan op de bestaande singel en schermt het erf af van de buren zonder dat het zicht voor hen beperkt wordt.

2.2.3 Verkeer & parkeren
2.2.3.1 Verkeer

Dit wijzigingsplan heeft hoofdzakelijk tot doel een betere ruimtelijke opzet van het erf waarbij zowel de zorgfunctie als de agrarische bedrijfsfunctie kunnen blijven voortbestaan. Ten behoeve van een doelmatige en bedrijfsefficiënte uitoefening van de agrarische bedrijfsactiviteiten wordt met name het zuidelijke, het uit te breiden deel, geschikt gemaakt voor agrarische bedrijfsactiviteiten terwijl het noordelijk deel hoofdzakelijk dienst zal (blijven) doen als zorgboerderij. Doordat er vooralsnog geen concrete uitbreidingsplannen zijn is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Wel is door de scheiding van functies sprake van een verkeerskundig gezien veiligere situatie doordat het zware landbouwverkeer niet, of in elk geval aanzienlijk minder, kruist met het zorggerelateerde verkeer (cliënten, bezoekers etc.).

Tezijnertijd zal worden bekeken of het realiseren van een extra ontsluiting op de Bolscher Landen ten behoeve van de agrarische bedrijfsactiviteiten noodzakelijk is. De ontsluiting ten behoeve van de zorgboerderij wijzigt in principe niet.

2.2.3.2 Parkeren

Parkeren ten behoeve van de zorg- en agrarische functie zal, net als in de huidige situatie, blijven plaatsvinden op het eigen erf. Het erf biedt hier voldoende ruimte voor.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
3.1.1.1 Algemeen

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en heeft de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving vervangen. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

3.1.1.2 Rijksdoelen en regionale opgaven

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.
3.1.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond.

3.1.2 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het initiatief raakt geen rijksbelangen en er is geen sprake van enige vorm van belemmeringen met betrekking tot de doelen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in dit geval niet van toepassing aangezien het geen binnenstedelijke ontwikkeling betreft.

3.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijke plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, die verankerd is in de Omgevingsverordening Overijssel.

3.2.1 Uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In 2009 is de Omgevingsvisie en -verordening 2009 vastgesteld. Naar aanleiding van monitoring en evaluaties is de Omgevingsvisie en -verordening op onderdelen geactualiseerd. De Actualisatie Omgevingsvisie en -verordening is op 3 juli 2013 vastgesteld door Provinciale Staten en treedt op 1 september 2013 in werking.

Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:

  • door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu's; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen;
  • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan;
  • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik bij bebouwing door hantering van de zogenaamde 'SER-ladder'; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; hierbij is afstemming tussen gemeenten over woningbouwprogramma's en bedrijfslocaties noodzakelijk;
  • ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid.
3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • 1. generieke beleidskeuzes;
  • 2. ontwikkelingsperspectieven;
  • 3. gebiedskenmerken.

3.2.3.1 Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones etc. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.

3.2.3.2 Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.

3.2.3.3 Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisure-laag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag op welke manier de ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Afbeelding 3.1 geeft dit schematisch weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0007.png"

Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

3.2.4.1 Generieke beleidskeuzes

Uit de afweging in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' blijkt dat met name artikel 2.1.4 (Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) en artikel 2.1.5, lid 1 (Ruimtelijke kwaliteit) van de Omgevingsverordening Overijssel in dit kader van belang zijn.

Artikel 2.1.6, lid 1 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) (hierna:KGO) is in dit geval niet van toepassing. Uit de toelichting bij de Omgevingsverordening Overijssel blijkt dat de KGO uitsluitend van toepassing is indien, buiten landbouwontwikkelingsgebieden, agrarische bouwpercelen ontstaan die groter zijn dan 1,5 hectare. Eén van de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid luidt dat bij intensieve veehouderijen, een dergelijke veehouderij is ter plaatse van het plangebied toegestaan, geen grotere bouwpercelen mogen ontstaan dan 1,5 hectare. Aan deze voorwaarde wordt voldaan aangezien het gewijzigde/ vergrote agrarisch bouwperceel een oppervlakte heeft van niet groter dan 1,5 hectare.

Op de artikelen die in dit kader wel van toepassing zijn wordt hierna ingegaan.

Artikel 2.1.4: Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in andere dan stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • 1. dat (her)benutting van bestaande bebouwing in de groene omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • 2. dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Toetsing van het initiatief artikel 2.1.4 van de Omgevingsverordening Overijssel

In dit geval biedt het huidige erf onvoldoende ruimte om de zorg- en agrarische functie op een adequate wijze te kunnen scheiden van elkaar. De uitbreiding van het bouwvlak heeft tot doel om de agrarische bedrijfsfunctie op een doelmatige en bedrijfsefficiënte wijze voort te kunnen zetten zonder dat hierbij ongewenste conflicten ontstaan met de andere functie op het erf, de zorgboerderij.

Ook het gebruik van bestaande bebouwing elders ten behoeve van de agrarische functie is redelijkerwijs niet mogelijk. Verspreid liggende agrarische opstallen is zowel vanuit het oogpunt van de agrariër als vanuit het oogpunt van dierwelzijn niet gewenst. Voor de agrariër is het vanuit het oogpunt van een (kosten)efficiënte en doelmatige bedrijfsvoering niet gewenst op verschillende locaties verspreid liggen opstallen te hebben. Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn is dit niet gewenst omdat bij het gebruik van verspreid liggen agrarische opstallen sprake zal zijn van onnodig extra vervoer van dieren. Dit levert voor de dieren onnodige extra stress op. Daarnaast is wijziging/ vergroting direct grenzend aan de bestaande locatie vanuit kwalitatief en landschappelijk oogpunt de meest verantwoorde gebleken.

Door de wijziging en vergroting van het agrarisch bouwvlak kunnen beide functies op een adequate wijze worden voortgezet en kan een betere scheiding worden aangebracht tussen de betreffende functies. Gezien het vorenstaande wordt dan ook geconcludeerd dat dit wijzigingsplan in overeenstemming is met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Artikel 2.1.5, lid 1: Ruimtelijke kwaliteit

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5, lid 1 van de Omgevingsverordening Overijssel

In verband met de voorgenomen uitbreiding/ aanpassing van het agrarisch bouwvlak is een inrichtingsplan opgesteld. In paragraaf 2.2.1 is dit al toegelicht. Kortheidshalve wordt hier naar verwezen. De beplantingskeuze en de locatie van de aanplant is mede gebaseerd op de geldende gebiedskenmerken, één en ander blijkt onder meer uit het vervolg van dit hoofdstuk. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 2.1.5, lid 1 van de Omgevingsverordening Overijssel.

3.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven

Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Buitengebied accent veelzijdige gebruiksruimte – mixlandschap'. In dit ontwikkelingsperspectief is sprake van verweving van functies. Het betreffen gebieden voor gespecialiseerde landbouw en mengvormen van landbouw met andere functies (recreatie-zorg, natuur, water) en bijzondere woon-, werk- en recreatiemilieus die de karakteristieke gevarieerde opbouw van de cultuurlandschappen in deze gebieden versterken.

Toetsing van het initiatief aan het 'Ontwikkelingsperspectief'

Zoals aangegeven betreft dit een mixlandschap waar onder andere ruimte wordt geboden aan mengvormen van landbouw met andere functies. In dit geval is sprake van een dergelijke mix van functies (zorg en landbouw). Door de wijziging en vergroting van het agrarisch bouwvlak kan een ruimtelijke scheiding worden aangebracht tussen beide functies. Hiermee is zowel de zorgfunctie als de agrarische functie mee gediend waar wordt opgemerkt dat het uit te breiden deel met name zal worden gebruikt ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Dit wijzigingsplan draagt dan ook bij aan een verbetering van de vitaliteit van het buitengebied.

Daarnaast worden diverse landschapsmaatregelen verricht die bijdragen aan een verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het cultuurlandschap ter plaatse. Het initiatief is in overeenstemming met het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief.

3.2.4.3 Gebiedskenmerken

1. De 'Natuurlijke laag'

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de 'Natuurlijke laag' kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden.

Het gewijzigde agrarisch bouwvlak is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen'. In afbeelding 3.2 is het gewijzigde agrarisch bouwvlak weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0008.png"

Afbeelding 3.2: Natuurlijke laag: 'Dekzandvlakte en ruggen' (Bron: Provincie Overijssel)

'Dekzandvlakte en ruggen'

De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/ nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijdert. De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem, door beplanting met 'natuurlijke' soorten en door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.

Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag'

Op deze locatie zijn de kenmerken van het oorspronkelijke landschap nauwelijks meer waarneembaar. Dit komt hoofdzakelijk doordat het gebied in cultuur is gebracht ten behoeve van de landbouw. Door in het inrichtingsplan in te zetten op bij de ondergrond passende plantsoorten wordt het verschil tussen hoog en laag, droog en nat versterkt. Hier wordt geconcludeerd dat het initiatief goed aansluit bij de gebiedskenmerken van de 'Natuurlijke laag'.

2. De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap'

In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan.

Het gewijzigde agrarisch bouwvlak is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gelegen in de landschapstypen 'Oude hoevenlandschap' en 'Jonge heide- en broekontginningslandschap'. In afbeelding 3.3 wordt dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0009.png"

Afbeelding 3.3: Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel)

'Oude hoevenlandschap'

Het Oude hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.

'Jonge heide- en broekontginningslandschap'

Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings'landschappen met rommelige driehoekstructuren als resultaat. Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.

Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

Voor de in dit wijzigingsplan besloten ontwikkeling is een inrichtingsplan opgesteld welke voorziet in een adequate inpassing van het gewijzigde erf in het landschap. Middels het inrichtingsplan en de daarin opgenomen landschapsmaatregelen wordt de nieuwe lijn in het landschap, het uitgebreide agrarisch bouwvlak, geaccentueerd. Hiermee wordt tevens bijgedragen aan het versterken van de rechtlijnige structuren in het landschap.

3. De 'Stedelijke laag'

Het plangebied heeft op de gebiedskenmerkenkaart de 'Stedelijke laag' geen bijzondere eigenschappen. Deze gebiedskenmerken kunnen derhalve buiten beschouwing worden gelaten.

4. De 'Lust en Leisurelaag'

Ook op de gebiedskenmerkenkaart de 'Lust- en leisurelaag' heeft het plangebied geen bijzondere eigenschappen. Deze gebiedskenmerken kunnen derhalve buiten beschouwing worden gelaten.

3.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat de in dit voorliggende wijzigingsplan besloten gebruik in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurplan Almelo, Symbiose tussen stad en land

In het Structuurplan Almelo is vastgelegd hoe de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Almelo de komende jaren in hoofdlijnen zal plaatsvinden. Het structuurplan heeft betrekking op het gehele gemeentelijke grondgebied. De ruimtelijke hoofdstructuur van Almelo wordt gekenmerkt door vier groene lobben die vanuit het omliggende buitengebied tot aan de rand van het stadscentrum reiken. Het ruimtelijke beleid is gericht op het behoud van de lobbenstructuur. Binnen deze structuur moet worden gezocht naar de nodige uitbreidingsruimte voor stedelijke functies.

Het gewijzigde agrarisch bouwvlak is op de structuurplankaart aangeduid als 'overig groen en landelijk gebied'. Eén en ander wordt weergegeven in afbeelding 3.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0010.png"

Afbeelding 3.4: Uitsnede Structuurplankaart 'Symbiose tussen Stad en Land' (Bron: gemeente Almelo)

3.3.1.1 Toetsing van het initiatief aan het Structuurplan 'Symbiose tussen stad en land'

In het structuurplan wordt niet specifiek ingegaan op de gebieden die op de structuurplankaart zijn aangeduid als 'overig groen en landelijk gebied'. Wel wordt in het structuurplan aangegeven dat het behoud van de landschappelijke kwaliteit in deze gebieden voorop staat. Zoals in paragraaf 2.2 verwoord gaat de wijziging/ vergroting van het agrarisch bouwvlak gepaard met investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. Dit komt de landschappelijke kwaliteit ten goede.

3.3.2 Kaderstelling landelijk gebied Almelo
3.3.2.1 Inleiding

Op 10 juli 2012 heeft de gemeenteraad van Almelo de nieuwe kaders voor ontwikkelingen in het buitengebied vastgesteld. Het doel hiervan is een richtinggevend ruimtelijk beleidskader dat dient als toetsingskader voor nieuwe initiatieven in het landelijk gebied. De kaders zijn tevens bedoeld om ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen te voorkomen.

3.3.2.2 Kaders

De 4 richtinggevende kaders zijn:

  • 1. Het landelijk gebied is in principe primair bestemd voor de uitoefening van de agrarische sector;
  • 2. Nieuwe initiatieven mogen de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven niet hinderen;
  • 3. De groene longen worden gevrijwaard van verder oprukkende verstedelijking;
  • 4. Nieuwe initiatieven die:
    • a. niet binnenstedelijk zijn op te lossen;
    • b. of van oorsprong al in het gebied aanwezig zijn;

kunnen eventueel worden ingepast, indien, enerzijds, met behulp van het werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving de aanwezige ruimtelijke kwaliteit in het gebied wordt versterkt, anderzijds, nieuwe initiatieven niet leiden tot significante verzwaring van activiteiten zoals verkeersstromen, welke aanleiding kunnen zijn voor aanpassing van de openbare infrastructuur of toeneming van verkeersonveiligheid.

3.3.2.3 Toetsing
  • 1. Dit wijzigingsplan is bedoeld om de zorg- en agrarische functie op een adequate wijze te kunnen blijven uitoefenen. Hierbij wordt het agrarisch bouwvlak gewijzigd/ vergroot. Hierdoor kan het agrarisch bedrijf op een doelmatige en bedrijfsefficiënte wijze worden uitgeoefend zonder dat hierbij de zorgfunctie hinder ondervindt van agrarische bedrijfsactiviteiten.
  • 2. Het initiatief zorgt niet voor extra hinder van omliggende agrarische bedrijven. Op de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer heeft dit plan een positief effect.
  • 3. Er is in dit geval geen sprake van extra verstedelijking aangezien de betreffende functies gelieerd zijn aan het buitengebied. Daarnaast is geen sprake van een groene long ter plaatse van het plangebied.
  • 4. Er is sprake van een functie die van oorsprong al in het gebied aanwezig is. De zorgfunctie betreft een vorm van verbreding van de agrarische functie die bijdraagt aan het behoud van de vitaliteit van het buitengebied. Zoals in 3.2.4.1 al verwoordt, is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving niet van toepassing. Wel is sprake van investeringen in de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. In paragraaf 2.2 is hier uitgebreid op ingegaan, tevens is in paragraaf 2.2 ingegaan op de gevolgen van het plan voor het aspect verkeer.

Bovenstaande brengt met zich mee dat het plan aansluit bij de 'Kaderstelling landelijk gebied gemeente Almelo'.

3.3.3 Bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo'
3.3.3.1 Algemeen

Het bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo' omvat de planologisch-juridische regeling voor het landelijk gebied van de gemeente. Het bestemmingsplan biedt, binnen de randvoorwaarden die gelden vanuit onder meer het landschap, milieu, water en cultuurhistorie, ontwikkelingsruimte aan bestaande functies en speelt daarnaast in op toekomstige of mogelijk gewenste ontwikkelingen. Het gaat daarbij om zowel de bestaande functies, zoals wonen, landbouw en natuur als om nieuwe functies, zoals passende mogelijkheden voor vrijkomende en voormalige agrarische bedrijven.

In dit geval wordt middels de in artikel 4.6.1 opgenomen wijzigingsbevoegdheid het agrarisch bouwvlak gewijzigd en vergroot. Een dergelijke wijzigingsbevoegdheid kent een aantal voorwaarden. Hierna wordt ingegaan op deze voorwaarden.

3.3.3.2 Voorwaarden wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen voor wat betreft het wijzigen van het bouwvlak en/of vergroten van de oppervlakte van het bouwperceel, mits:

  • a. de wijziging noodzakelijk is in het kader van een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • b. het bouwperceel hierdoor geen groter aaneengesloten oppervlak krijgt dan:
      • 1,5 ha voor zover het een intensieve veehouderijbedrijf betreft ter plaatse van het verwevingsgebied;
      • 2 ha voor alle agrarische bedrijven niet zijnde intensieve veehouderijbedrijven;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden, waaronder in ieder geval wordt gereken het (leef)milieu en het landschap;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • e. er een compacte bouwperceelsvorm blijft bestaan;
  • f. uit een inpassingsplan de ruimtelijke inpassing van het bouwvlak in de omgeving blijkt, waarbij in ieder geval aandacht dient te worden besteed aan de beeldkwaliteit van de totale erfinrichting en de landschappelijke inpassing in de vorm van aanleg van streekeigen erfbeplanting plaatsvindt;
  • g. er bij een oppervlakte groter dan 1,5 hectare geïnvesteerd wordt in het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving;
  • h. de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan is gewaarborgd, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden dat:
      • bodemsanering niet noodzakelijk is dan wel vóór uitvoering van het wijzigingsplan zal plaatsvinden;
      • geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden dan wel geen ingrepen in de bodem zullen worden verricht;
      • met betrekking tot (spoor)wegverkeersgeluid een aanvaardbaar woonklimaat wordt gerealiseerd;
      • met betrekking tot de luchtkwaliteit een aanvaardbaar leefklimaat wordt gerealiseerd, dan wel dat geen onevenredige verslechtering plaatsvindt;
      • met betrekking tot de externe veiligheid een aanvaardbaar leefklimaat wordt gerealiseerd, dan wel dat geen onevenredige verslechtering plaatsvindt;
      • beschermde planten- en diersoorten en biotopen niet onevenredig worden geschaad;
      • het wijzigingsplan financieel uitvoerbaar is.
3.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid
  • a. Zoals in de aanleiding al verwoordt is een verplaatsing van de zorgfunctie naar een locatie elders op het erf, mede gezien het feit dat de gebouwen ten behoeve van de zorgboerderij vrij recent zijn gerealiseerd, redelijkerwijs geen optie. Teneinde het de agrarische bedrijfsfunctie op een doelmatige en bedrijfsefficiënte wijze te kunnen blijven uitoefenen is het noodzakelijk dat het agrarisch bouwvlak wordt gewijzigd en vergroot. Er is derhalve sprake van een wijziging die noodzakelijk is in het kader van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.
  • b. Op basis van het geldende bestemmingsplan is ter plaatse een intensieve veehouderij toegestaan. Na de wijziging heeft het bouwvlak een oppervlakte van 1,5 hectare. Hiermee wordt aan deze voorwaarde voldaan.
  • c. Zoals zal blijken uit het volgende hoofdstuk is van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige functies en waarden geen sprake. Door het gewijzigde agrarisch bouwvlak landschappelijk in te passen is eveneens geen sprake van een onevenredige aantasting van het landschap.
  • d. Zoals uit het volgende hoofdstuk zal blijken, met name paragraaf 4.6 en 4.7, is geen sprake van een onevenredige aantasting van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • e. Het gewijzigde bouwperceel wordt minder langgerekt en in het verlengde van de bestaande bebouwing vergroot, evenwijdig aan de Bolscher Landen. Er blijft derhalve sprake van een compacte bouwperceelsvorm.
  • f. Hiervoor wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 2.2;
  • g. Hier is geen sprake van.
  • h. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar de volgende hoofdstukken. Hieruit zal blijken dat ook aan deze voorwaarden wordt voldaan.

Zoals blijkt uit het vorenstaande, en uit de toelichting van dit wijzigingsplan, wordt op alle onderdelen voldaan aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid.

3.3.4 Conclusie gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de in deze paragraaf behandelde beleidsdocumenten.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

In de toelichting op een wijzigingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een wijzigingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geurhinder, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

4.1 Geluid (Wet geluidhinder)

4.1.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.

4.1.2 Situatie plangebied

Er is in dit geval geen sprake van een wijziging waarmee wordt voorzien in nieuwe geluidsgevoelige objecten of nieuwe geluidsbronnen als bedoeld in de Wgh. De aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai als bedoeld in de Wgh zijn dan ook niet van toepassing.

4.1.3 Conclusie

De Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit wijzigingsplan.

4.2 Bodemkwaliteit

4.2.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht.

4.2.2 Situatie plangebied

In dit geval wordt het agrarisch bouwvlak gewijzigd en vergroot. Naar de toekomst toe zullen hier agrarische bedrijfsgebouwen worden opgericht. Waar welk(e) gebouw(en) worden opgericht is momenteel niet bekend. Gezien het historisch gebruik van deze gronden en het feit dat het gebruik na ontginning nooit anders is geweest dan landbouwkundig gebruik (gras- en akkerland), mag ervan worden uitgegaan dat de grond geschikt is voor het toekomstig gebruik.

Bij een toekomstige aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen zal, indien noodzakelijk, een verkennend bodemonderzoek onderdeel uitmaken van de vergunningvraag. In het kader van dit wijzigingsplan wordt geconcludeerd dat het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk is.

4.2.3 Conclusie

Gezien het vorenstaande mag ervan worden uitgegaan dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.


Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

4.3.2 Situatie plangebied

Dit wijzigingsplan voorziet in het wijzigen en vergroten van het agrarisch bouwvlak teneinde de zorg- en agrarische functie ruimtelijk beter van elkaar te kunnen scheiden. Dit wijzigingsplan voorziet niet in een toename qua dieraantallen ten opzichte van de vergunde situatie. Ook qua verkeer heeft dit wijzigingsplan geen toename van het aantal verkeersbewegingen als direct gevolg.

Gezien het vorenstaande wordt derhalve geconcludeerd, zeker in vergelijking met de categorieën van gevallen, dat het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Daarnaast voorziet dit wijzigingsplan niet in nieuwe functies die in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen worden aangemerkt als 'gevoelige bestemmingen'. Voor zover hier al sprake van zal zijn in de toekomst is het plangebied op ruim voldoende afstand gelegen van het rijks- en provinciale wegen.

4.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.4 Externe veiligheid

4.4.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen.Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (Brzo 1999);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een aanvaardbaar minimum beperken van risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

4.4.2 Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het gewijzigde agrarisch bouwvlak en omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0011.png"

Afbeelding 4.1: Uitsnede Risicokaart Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

In de omgeving van het plangebied komen diverse gasleidingen voor. In de volgende tabel wordt inzichtelijk gemaakt om welke transportroutedelen het gaat. Bij deze leidingen zijn voor wat betreft het groepsrisico de 1% en 100% letaliteitsgrens van belang. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Binnen de 100% afstand is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bebouwing en bewoning bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico.

Transportroutedeel   1% letaliteitsgrens   100% letaliteitsgrens   Afstand leiding tot plangebied  
N-557-49   100 meter   50 meter   > 280 meter  
A-648   470 meter   190 meter   > 100 meter  
A-528   240 meter   110 meter   > 110 meter  
A-508   240 meter   110 meter   > 115 meter  

Zoals blijkt uit de tabel bevindt het plangebied zich in gevallen binnen de 1% letaliteitsgrens en de 100% letaliteitsgrens van enkele leidingen. Dit wijzigingsplan voorziet niet in een vergroting van de aanduiding 'zorgboerderij', deze aanduiding blijft overeenkomstig het geldende bestemmingsplan gehandhaafd. Op de gronden waarop het bouwvlak wordt uitgebreid/ gewijzigd mogen in principe uitsluitend gebouwen ten behoeve van de stalling van vee en of bij het agrarisch bedrijf behorend materiaal worden opgericht. Van een toename van voor menselijk verblijf bedoelde gebouwen is dan ook geen sprake met dit wijzigingsplan. Een verhoging van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde.

Theoretisch gezien (dit is niet aan de orde) zou bijvoorbeeld de bedrijfswoning wel verplaatst kunnen worden naar dit gedeelte, aangezien deze in de huidige situatie ook al aanwezig is binnen de 1% en 100% letaliteitsgrens van enkele leidingen wijzigt hiermee het groepsrisico niet.

Op ruimere afstand van het plangebied bevinden zich een gasdruk meet - en regelstation Stobbenhorst en de rijkswegen A1 en A35. Deze risicobronnen zijn respectievelijk gelegen op een afstand van ruim 600 meter, 800 meter en 700 meter en vormen geen belemmering in het kader van dit wijzigingsplan. Hier wordt dan ook niet nader op ingegaan.

4.4.3 Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5 Fysieke veiligheid

4.5.1 Algemeen

Het aspect fysieke veiligheid beoogt het beschermen van mens, dier en milieu tegen (de gevolgen van) ongevallen en rampen. Ondanks de gerealiseerde veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen blijft er een restrisico waarbinnen incidenten plaats kunnen vinden.

Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de volgende onderdelen:

  • 1. bereikbaarheid;
  • 2. opkomsttijd;
  • 3. bluswatervoorziening;
  • 4. sirenedekking;
4.5.2 Bereikbaarheid
4.5.2.1 Algemeen

Bij het bepalen of er in het plangebied sprake is van een goede bereikbaarheid van de gebouwen via het openbare wegennet wordt het plangebied beoordeeld aan de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid. Hierbij wordt beoordeeld of:

  • de weg voldoet aan de specifieke afmetingen van brandweervoertuigen;
  • een willekeurig adres binnen een verblijfsgebied in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar is;
  • of de verkeersaders aan de brandweervoertuigen een onbelemmerde doorgang bieden.
4.5.2.2 Situatie plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Bolscher Landen en uitstekend bereikbaar via de Bornsestraat. Binnen het plangebied is het van belang dat alle objecten bereikbaar zijn voor de brandweervoertuigen.

Bij de omgevingsvergunning dient de bereikbaarheid voor de brandweer geborgd te worden. Of hieraan voldaan wordt en of extra maatregelen noodzakelijk zijn hangt onder andere af van de (brandweer)toegangen.

4.5.3 Opkomsttijd
4.5.3.1 Algemeen

De opkomsttijd is de optelsom van de verwerkingstijd van de melding, de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd is daarbij de tijd tussen het alarmeren van de brandweer door de meldkamer en het tijdstip dat het voertuig de kazerne verlaat. De aanrijdtijd is de tijd die het eerste voertuig nodig heeft om van de kazerne naar de plaats van het incident te gaan. De opkomsttijd van de brandweer wordt als een belangrijk kwaliteitskenmerk van de brandweer beschouwd. In het Besluit Veiligheidsregio's (BVR) zijn de opkomsttijden voor de brandweer vastgelegd, deze worden in de onderstaande tabel weergegeven.

Normtijd   Gebruiksfunctie  
5 minuten   Winkel met gesloten constructie (tijdens openingsuren), wonen boven winkel, cel  
6 minuten   Portiekwoningen/portiekflats, woning verminderd zelfredzamen  
8 minuten   Overige woningen, winkels, gezondheidszorg, onderwijs, kinderdagverblijf, logies  
10 minuten   Kantoor, (lichte)industrie, sport, overige ruimtes voor bijeenkomsten, overige gebruiksfuncties  

Tabel: Normtijden volgens Besluit Veiligheidsregio's

Daarnaast is het 'Dekkingsplan Brandweer Twente', dat onderdeel uitmaakt van het beleidsplan, vastgesteld.

4.5.3.2 Situatie plangebied

Door de Brandweer Twente is een gemiddelde opkomsttijd weergegeven. Het gaat hier om theoretische berekeningen, waardoor de opkomsttijd in praktijk kan verschillen.

In theorie zou de brandweer binnen de gestelden normtijd aanwezig kunnen zijn.

4.5.4 Bluswatervoorziening
4.5.4.1 Algemeen

Voor een optimale bluswatervoorziening wordt onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen. Dit is van belang omdat de eisen voor de afstand, de capaciteit en de bereikbaarheid verschillend zijn. De basiskenmerken van deze drie modellen zijn:

  • De primaire bluswatervoorziening
    Boven- of ondergrondse brandkranen die geplaatst zijn op het drinkwaterleidingnet.
  • De secundaire bluswatervoorziening
    De secundaire bluswatervoorziening is in principe aanvullend op een primaire bluswatervoorziening. Een secundaire bluswatervoorziening kan bestaan uit geboorde putten, bluswaterriolen, vijvers e.d. of ondergrondse reservoirs. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 320 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 8 meter kunnen bereiken.
  • De tertiaire bluswatervoorziening
    Bij de noodzakelijke inzet van grotere hoeveelheden water of gedurende langere tijd zijn de primaire en secundaire voorzieningen niet voldoende. Water wordt dan onttrokken uit bijvoorbeeld kanalen. Hiervoor geldt een afstand van maximaal 2500 meter tot het object. Daarnaast moet het brandweervoertuig het water tot maximaal 50 meter kunnen bereiken.
4.5.4.2 Situatie plangebied

Voor het plangebied geldt dat er in de directe omgeving geen primaire en secundaire bluswatervoorziening ligt. Het dichtstbijzijnde open water is 't Grasbroek dat op circa 1,9 kilometer van het plangebied is gelegen. Hiervoor is grootwatertransport nodig, dit vraagt extra tijd.

Geadviseerd wordt om binnen het plangebied een vijver aan te leggen als bluswatervoorziening.

4.5.5 Sirenedekking
4.5.5.1 Algemeen

De sirene is een hulpmiddel van de overheid om mensen te kunnen waarschuwen voor acute gevaren. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. Op dat moment is het gevaarlijk om buiten te blijven waar men wordt blootgesteld aan het gevaar. De sirenes kunnen dan worden ingeschakeld. Voldoet het dekkingsgebied van de sirene niet, dan zal rondom de diverse risico-objecten middels alternatieven moeten worden gealarmeerd.

4.5.5.2 Situatie plangebied

Het plangebied valt binnen het theoretische dekkingsgebied van de sirene aan de Eierbaan in Bornerbroek.

4.5.6 Conclusie

Het aspect fysieke veiligheid vormt geen belemmering voor de in dit wijzigingsplan besloten otnwikkeling.

4.6 Milieuzonering

4.6.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

4.6.1.1 Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.

Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen , zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Derhalve wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

Milieucategorie   Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk   Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  
4.6.2 Situatie plangebied
4.6.2.1 Algemeen

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

4.6.2.2 Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. In dit geval wordt het agrarisch bouwvlak gewijzigd/ vergroot. Dit heeft tot doel om de zorgfunctie en de agrarische functie te kunnen scheiden en om een doelmatige wijze het agrarisch bedrijf te kunnen exploiteren.

De wijziging/ vergroting van het agrarisch bouwvlak geldt niet voor de zorgboerderij, in de wijzigingsbevoegdheid is immers geen mogelijkheid opgenomen om dit aanduidingsvlak te verruimen. Ter plaatse is een intensieve veehouderij toegestaan. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' zijn verschillende typen intensieve veehouderijen te onderscheiden. Uitgaande van een 'worst-case' scenario wordt een intensieve veehouderij gerekend tot de milieucategorie 4.1 waarvoor een grootste richtafstand van 200 meter geldt voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstand uit de VNG-uitgave leidend maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven. Hier wordt in paragraaf 4.7 nader op ingegaan.

Na het aspect geur geldt voor het aspect geluid de grootste richtafstand, te weten 50 meter. Voor de overige aspecten (stof en gevaar) gelden kleinere richtafstanden. Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object ten opzichte van het plangebied bevindt zich aan de Bornsestraat. Het agrarisch bouwvlak wordt echter niet dichter bij dit object gesitueerd, in tegenstelling, aan deze zijde wordt een deel van het agrarisch bouwvlak verwijderd. Van een aantasting van het woon- en leefklimaat zal ter plaatse van deze woning dan ook geen sprake zijn.

Ten opzichte van het gewijzigde/ vergrote agrarisch bouwvlak bevindt het dichtstbijzijnde milieugevoelige object zich aan de Bolscherdwarsweg 9. Voor wat betreft deze woning wordt uitgegaan van de situering van de dichtstbijzijnde gevel aangezien de woning is gesitueerd buiten het bestemmingsvlak 'Wonen'. De afstand van het gewijzigde/ uitgebreide agrarisch bouwvlak tot aan deze woning bedraagt circa 55 meter.

Daarnaast bevindt zich aan de Bolscher Landen 31 een woning. De afstand van het uitgebreide agrarisch bouwvlak tot aan deze woonbestemming bedraagt circa 65 meter. De afstand tot aan het bouwvlak waarbinnen het object, de woning, opgericht moet worden is ruimer, namelijk ruim 80 meter.

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de omliggende milieugevoelige objecten geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat.

4.6.2.3 Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. In dit geval is sprake van een wijziging/ vergroting van het agrarisch bouwvlak ten behoeve van het agrarisch bedrijf. In de omgeving zijn geen functies aanwezig die door de wijziging/ vergroting van het agrarisch bouwvlak extra worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

4.6.3 Conclusie

Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

4.7 Geur

4.7.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

Op basis van artikel 3, lid 2 van de Wet geurhinder en veehouderij worden voor bedrijfswoningen van andere agrarische bedrijven en voormalige bedrijfswoningen (beëindiging agrarisch bedrijf na 19 maart 2000), tevens een vaste afstandseis van 50 meter gehanteerd.

4.7.2 Situatie plangebied

Het agrarisch bedrijf van initiatiefnemer betreft een gemengd bedrijf. Op basis van de vergunde situatie mag het bedrijf de volgende dieraantallen houden:

Diersoort   Aantallen  
Zoogkoeien ouder dan 2 jaar   2  
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar   4  
Vleesstierkalveren tot 6 maanden   4  
Vleesstieren en overig vleesvee van 6 tot 24 maanden   110  
Schapen ouder dan 1 jaar, inclusief lammeren tot 45 kg   20  
Geiten ouder dan 1 jaar   20  
Opfokgeiten van 61 dagen tot en met 1 jaar   10  
Opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen   10  
Legkippen (voor(groot-)ouderdieren van legrassen   100  
Paarden (3 jaar en ouder)   10  
Konijnen   20  

Zoals blijkt uit het vorenstaande geldt voor het overgrote deel van de dieren een vaste afstandseis van 50 meter tot geurgevoelige objecten. Hieraan wordt ook met de wijziging/vergroting van het agrarisch bouwvlak voldaan.

Voor wat betreft de vleesstieren wordt opgemerkt dat er een geuronderzoek (Bijlage 2) is uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat in de huidige situatie ruim voldaan wordt aan de geurnormen. Daarnaast is gekeken hoeveel vleesstieren er binnen het plangebied extra kunnen worden gehouden tot dat nog net aan de geurnom kan worden voldaan. Hierbij is uitgegaan van worst-case, oftewel een emissiepunt op de bouwvlakgrens. Afhankelijk van de situering van het emissiepunt kunnen er tussen de 176 en de 456 vleesstieren worden toegevoegd zonder dat de geurnorm op een nabijgelegen geurgevoelig object wordt overschreden.

4.7.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het gewenste plan.

4.8 Ecologie

4.8.1 Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Soortenbescherming komt voort uit de Flora- en faunawet.

Natuurbank Overijssel heeft in verband met de wijziging/ vergroting van het agrarisch bouwvlak een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn in deze paragraaf verwerkt. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar Bijlage 3 bij deze toelichting.

4.8.2 Gebiedsbescherming
4.8.2.1 Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd.

Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 10 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Borkeld'.

Het plangebied ligt niet in- of nabij een Natura 2000-gebied en de invloedsfeer is lokaal. De voorgenomen activiteit heeft geen negatief effect op de duurzame instandhouding van Natura 2000-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd te worden.

4.8.2.2 Ecologische Hoofdstructuur (EHS)

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De EHS is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de EHS geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als EHS is gelegen op circa 500 meter afstand. In afbeelding 4.2 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de EHS weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0012.png"

Afbeelding 4.2: Ligging plangebied t.o.v. de EHS (Bron: Provincie Overijssel)

Het plangebied ligt buiten de EHS en de voorgenomen activiteit heeft geen negatief effect op de kernkwaliteiten van de EHS. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden

4.8.3 Soortenbescherming
4.8.3.1 Algemeen

Voor wat betreft de soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

4.8.3.2 Situatie plangebied

Natuurbank Overijssel heeft in verband met de wijziging/ vergroting van het agrarisch bouwvlak een Quickscan Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek ten aanzien van soortenbescherming zijn hierna verwerkt. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar Bijlage 3 bij deze toelichting.

Het onderzoeksgebied vormt het functionele leefgebied van sommige algemene- en weinig kritische amfibieën, zoogdier- en vogelsoorten. De amfibieën en grondgebonden zoogdieren benutten het gebied mogelijk als foerageergebied. Mogelijk benutten sommige grondgebonden zoogdiersoorten het loofbosje aan de zuidzijde als vaste rust- en/of voortplantingslocatie. Het is niet uitgesloten dat vogels nestelen in de te slopen schuur, in opgaande beplanting en in het bosje. Daarbij gaat het uitsluitend om soorten waarvan de bezette nesten beschermd zijn, niet de oude nesten of de nestplaats. Om de schuur te slopen in overeenstemming met de Flora- en faunawet, dient deze buiten de voortplantingsperiode van vogels gesloopt te worden, of vooraf moet duidelijkheid verkregen zijn over de afwezigheid van bezette nesten in het gebouw. Mogelijk wordt het plangebied benut als foerageergebied door sommige vleermuissoorten en mogelijk bezet een enkele dwergvleermuis een verblijfplaats in één van de verblijfsaccommodaties. De voorgenomen activiteit heeft geen negatief op deze functies. Met inachtneming van de functie van de te slopen schuur als broedplaats door vogels, is de voorgenomen activiteit in overeenstemming met de Flora- en faunawet.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing ex. art. 75c van de Flora- en faunawet aangevraagd te worden. De Flora- en faunawet vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteit.

4.8.4 Conclusie

Er worden geen negatieve effecten op de EHS en de Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen nadelige effecten voor de beschermde soorten en is nader onderzoek niet noodzakelijk.

4.9 Archeologie & cultuurhistorie

4.9.1 Archeologie
4.9.1.1 Algemeen

Op grond van de Monumentenwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Monumentenwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.9.1.2 Situatie plangebied

De gemeente Almelo kent een archeologische verwachtingskaart. Een uitsnede van deze kaart, met daarin weergegeven de locatie van het gewijzigde agrarisch bouwvlak, is opgenomen in afbeelding 4.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0141.00029-WP31_0013.png"

Afbeelding 4.3: Uitsnede gemeentelijke archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Almelo)

Het plangebied kent zowel een lage- als een hoge archeologische verwachtingswaarde. Op basis van het gemeentelijk beleid is in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde archeologisch onderzoek vereist indien sprake is van bodemingrepen met een groter oppervlak dan 10 hectare en dieper dan 40 centimeter. Archeologisch onderzoek in gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde is noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter en met een groter oppervlak dan 2.500 m2.

Van bodemingrepen die de hiervoor genoemde oppervlaktes overschrijden is vooralsnog geen sprake. Dit temeer omdat nog niet bekend is waar welke gebouwen worden opgericht. Om te voorkomen dat ook naar de toekomst toe eventueel te verwachten archeologische waarden niet worden verstoord zijn er dubbelbestemmingen opgenomen. Op deze wijze is de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden afdoende geregeld.

4.9.2 Cultuurhistorie
4.9.2.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a) opgenomen dat een ruimtelijk plan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

4.9.2.2 Situatie plangebied

Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel geen cultuurhistorische waarden in het plangebied. In de omgeving van het plangebied is tevens geen sprake van cultuurhistorische waarden. De boerderij (bedrijfswoning) vertegenwoordigt in een bepaalde mate een cultuurhistorische waarde doordat deze in de vorige eeuw gebouwd is. Dit wijzigingsplan voorziet voor wat betreft deze boerderij niet in wijzigingen die een negatieve invloed kunnen hebben op de waarde van deze boerderij. Derhalve wordt gesteld dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend wijzigingsplan

4.9.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat in het kader van dit wijzigingsplan geen archeologisch onderzoek of onderzoek naar de cultuurhistorische waarden noodzakelijk is.

4.10 Besluit milieueffectrapportage

4.10.1 Algemeen

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren:

  • Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is;
  • Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen);
  • Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig.

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het 'plan' uit kolom 3 of aan de definitie van het 'besluit' uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
4.10.2 Situatie plangebied
4.10.2.1 Artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998

Zoals reeds verwoord in paragraaf 4.7.2 is geen sprake van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit temeer omdat de wijziging en vergroting van het agrarisch bouwvlak niet tot doel heeft om de veestapel van het bedrijf uit te breiden. Het bestaande vergunde aantal dieren worden in dit bestemmingsplan vastgelegd. Middels een afwijkingsbevoegdheid is het mogelijk om dit aantal dieren aan te passen mits voldaan wordt aan diverse voorwaarden (o.a. geen verslechtering ter plaatse van Natura 2000 gebied). Een passende beoordeling op basis van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 is in het kader van dit wijzigingsplan dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer

4.10.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r.

Dit wijzigingsplan voorziet in principe in een directe eindbestemming voor wat betreft het gewijzigde en vergrote agrarisch bouwvlak en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit wijzigingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voorziet niet in een wijziging qua dieraantallen waardoor er in principe geen sprake is van een overschrijding van de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel C en D van het Besluit m.e.r. Echter blijkt uit jurisprudentie dat een m.e.r.-(beoordelings)plicht ook geldt als sprake is van de bouw van nieuwe stallen waarbij drempelwaarden worden overschreden. Dit ongeacht of hierbij sprake is van het herhuisvesten van reeds eerder vergunde dier(plaats)en. Daarom wordt hierna nader ingegaan op de drempelwaarden als bedoeld in onderdeel C en D van het Besluit m.e.r.

De vergunde dieraantallen blijven ruimschoots beneden de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Dit betekent dat geen sprake is van een m.e.r.-plichtig plan. Hierna wordt weergegeven bij welke dieraantallen, voor zover in dit kader relevant, op basis van onderdeel D.14 van het Besluit m.e.r. sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht:

  • 40.000 stuks pluimvee (Rav1 cat. E, F, G en J);
  • 1000 stuks voedsters of 6000 vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd (Rav cat. I.1 en I.2);
  • 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2);
  • 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3);
  • 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwlijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3);
  • 1200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7);
  • 2000 stuks schapen of geiten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3);
  • 100 stuks paarden of pony's (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav cat. K.2 en K.4).

Zoals ook blijkt uit het vorenstaande blijven de vergunde dieraantallen ruimschoots onder de drempelwaarden zoals opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Dit betekent dat ook geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtig plan. Zoals ook in het voorgaande aangegeven dient het bevoegd gezag zich er echter van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Indien de omvang van de in dit plan besloten ontwikkeling wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r., kan worden geconcludeerd dat er dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die aanzienlijk kleinschaliger is. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk en het volgende hoofdstuk dat dit wijzigingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die hiervoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

4.10.3 Conclusie

Dit wijzigingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit wijzigingsplan.

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf

5.1 Vigerend beleid

5.1.1 Europees- en rijksbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

In december 2009 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welke beleid het Rijk in de periode 2009-2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstroming, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet, die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) heeft tot doel om in de periode tot 2015 het hoofdwatersysteem in Nederland te verbeteren en op orde te houden. Belangrijk onderdeel is om de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren' in alle overheidsplannen als verplicht afwegingsprincipe te hanteren. In het Nationaal Bestuursakkoord is vastgelegd dat de watertoets een verplicht te doorlopen proces is in waterrelevante ruimtelijke planprocedures, waarbij een vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder in de planvorming wordt gewaarborgd.

5.1.2 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel 2009 wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

5.1.3 Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Reest en Wieden, Vechtstromen (voorheen Velt en Vecht en Regge en Dinkel), Groot Salland en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking.

De waterschappen Regge en Dinkel en Velt en Vecht zijn op 1 januari 2014 gefuseerd. Op dit moment heeft waterschap Vechtstromen nog geen eigen waterbeheerplan daarom wordt, temeer omdat de waterbeheerplannen in het deelstroomgebied Rijn-Oost, inhoudelijk grotendeels hetzelfde zijn, ingegaan op het waterbeheerplan van het voormalige waterschap Regge en Dinkel. Dit plan gaat over het waterbeheer in de hele stroomgebieden van de waterschappen en het omvatten alle watertaken van de waterschappen: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen.

Het waterbeleid van het waterschap is met name gericht op een duurzame aanpak van het waterbeheer: geen afwenteling, herstel van de veerkracht van het watersysteem, streven naar een meer natuurlijker waterbeheer, zoeken naar meer ruimte voor water, water toepassen als ordenend principe middels het gebruik van waterkansenkaarten en water langer vasthouden mede door flexibeler peilbeheer. Ook het streven naar een betere waterkwaliteit als onderdeel van duurzaamheid is een belangrijk speerpunt (tegengaan van lozingen, minder belasting van het water en het zoveel mogelijk tegengaan van diffuse verontreinigingen).

De twee belangrijkste onderdelen van het waterplan worden gevormd door:

  • het tekort aan waterberging in het landelijk gebied;
  • de inpassing van inrichtingsmaatregelen binnen de maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water.
5.1.4 Gemeentelijk beleid
5.1.4.1 Waterplan Almelo

De gidsprincipes voor het waterplan en de visie zijn gebaseerd op principes uit de Vierde Nota waterhuishouding en de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21-ste eeuw, waarbij aanpak van de bron prevaleert boven “end-of-pipe”-maatregelen en de afwenteling van lokale problemen op (boven)regionale systemen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het vasthouden van water verdient de voorkeur. Wanneer dit niet meer mogelijk is, wordt zoveel mogelijk water geborgen. Daarbij speelt de waterkwaliteit een belangrijke rol. Water van verschillende kwaliteit wordt zoveel mogelijk gescheiden. Wanneer ook berging niet meer mogelijk is, wordt het water ten slotte afgevoerd. In stedelijke in- of uitbreidingsgebieden dient zoveel mogelijk verhard oppervlak niet aangesloten te worden op de riolering. Een duurzame inrichting van het terrein moet zorgen voor het bewaken van de kwaliteit. Kortom, problemen met waterkwaliteit en -kwantiteit mogen niet worden afgewenteld en de ontwikkelingen mogen geen negatieve beïnvloeding van waterkwaliteit en -kwantiteit met zich meebrengen. Bij nieuwbouw dient grondwaterneutraal gebouwd te worden.

5.1.4.2 Grondwaterplan 2010-2015

De gemeentelijke doelstellingen op gebied van grondwater staan in deel B van het Grondwaterplan 2010-2015. Relevante doelstellingen zijn:

  • De gemeente Almelo streeft een grondwaterstand na, welke geen structurele overlast veroorzaakt bij bewoners en bedrijven.
  • Bij oplossingen/maatregelen voor bestaand en nieuw stedelijk gebied geld de volgende voorkeursvolgorde:
      • Ophogen van maaiveld.
      • Het aanleggen van oppervlaktewater.
      • Het aanleggen van grondwatertechnische maatregelen.
  • Bij nieuwbouw is in het beginsel het aanleggen van grondwatertechnische maatregelen niet toegestaan.
  • Voor de ontwatering gelden de volgende criteria:
      • Wegen minimaal 0,70 m boven de GHG.
      • Openbaar groen minimaal 0,50 m boven de GHG.
      • Vloerpeilen minimaal 0,90 m boven de GHG.
5.1.4.3 Verbreed gemeentelijke rioleringsplan 2011-2015

De gemeentelijke doelstellingen op gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater staan in het verbreed Gemeentelijke Rioleringsplan (vGRP) 2011-2015. Met dit vGRP geeft de gemeente Almelo invulling aan een duurzame inzameling en verwerking van afvalwater, hemelwater en overtollig grondwater en een duurzaam beheer van het gemeentelijk rioolstelsel. Riolering draagt namelijk bij aan de Volksgezondheid, de kwaliteit van de leefomgeving en beschermt de bodem, het grond- en oppervlaktewater. De aanleg en het beheer van riolering zorgt dat verontreinigd afvalwater uit de directe leefomgeving wordt verwijderd en voorkomt de directe ongezuiverde lozing van afvalwater op bodem- of oppervlaktewater. Daarnaast zorgt riolering voor de ontwatering van de bebouwde omgeving door naast het afvalwater van huishoudens en bedrijven ook het overtollige regenwater van daken, pleinen, wegen e.d. en het overtollige grondwater apart in te zamelen en af te voeren.

Afvalwaterzorgplicht:

De afvalwaterzorgplicht is grotendeels een voortzetting van het beleid zoals dat vroeger gold. Voor de afvalwaterzorgplicht streeft de gemeente Almelo in haar gebied een duurzame en doelmatige inzameling en transport van afvalwater na tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Nieuwe aspecten die in dit vGRP aan de orde komen zijn:

  • Onderzoek en stimuleringsbijdragen in verband met alternatieve sanitatieconcepten, waarbij wordt bekeken of afvalwater op een andere duurzamere wijze kan worden ingezameld en getransporteerd dan in het verledengebruikelijk, bijvoorbeeld via een lokale zuivering of het scheiden van verschillende afvalwaterstromen.
  • Inhalen van de achterstand die is opgelopen bij het onderhouden van kolken via een kolkenproject.
  • Het beheer en onderhoud van de riolering wordt verder versterkt. De afgelopen jaren is daar al een goede aanzet voor gemaakt.

Hemelwaterzorgplicht:

De taakopvatting voor de hemelwaterzorgplicht komt overeen met de taakopvatting voor de afvalwaterzorgplicht, echter de gemeentelijke beleidsvrijheid is bij de hemelwaterzorgplicht beduidend groter dan bij de afvalwaterzorgplicht. Voor de hemelwaterzorgplicht streeft de gemeente Almelo in haar gebied een duurzame en doelmatige inzameling en afvoer van hemelwater na voor zover burgers en bedrijven zich daar redelijkerwijs niet van kunnen ontdoen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

De belangrijkste aandachtspunten in het gemeentelijk hemelwaterbeleid zijn:

  • Actief benutten van kansen om hemelwater van afvalwater te ontvlechten bij onder andere uitbreidingen, inbreidingen, wijkrenovatieprojecten, vervangingsprojecten en wegenprojecten mede in relatie tot lange termijn doelstellingen in het waterplan.
  • Onderzoeksinspanning om de hemelwaterzorgplicht verder te onderbouwen.
  • Stimulering van het toepassen van zogenaamde vegetatiedaken. Vegetatiedaken worden onder meer ingezet om de toenemende piekafvoeren van hemelwater vanuit stedelijk gebied tegen te gaan (circa 60% van de neerslag wordt op vegetatiedaken vastgehouden). Vegetatiedaken kunnen verder een rol spelen in het behalen van duurzaamheidsdoelstellingen (energiebesparing en leefbaarheid).

Grondwaterzorgplicht:

Voor de grondwaterzorgplicht sluit dit vGRP aan bij het beleid dat is geformuleerd in het kader van deel B van het Grondwaterplan 2010 t/m 2015.

Relevante doelstellingen zijn:

  • De gemeente Almelo streeft een grondwaterstand na, welke geen structurele overlast veroorzaakt bij bewoners en bedrijven.
  • Bij oplossingen/maatregelen voor bestaand en nieuw stedelijk gebied geld de volgende voorkeursvolgorde:
    • 1. Ophogen van maaiveld.
    • 2. Het aanleggen van oppervlaktewater.
    • 3. Het aanleggen van grondwatertechnische maatregelen.
  • Bij nieuwbouw is in het beginsel het aanleggen van grondwatertechnische maatregelen niet toegestaan.
  • Voor de ontwatering gelden de volgende criteria:
    • 1. Wegen minimaal 0,70 m boven de GHG.
    • 2. Openbaar groen minimaal 0,50 m boven de GHG.
    • 3. Vloerpeilen minimaal 0,90 m boven de GHG.

5.1.4.4 Duurzaamheidsplan 2013 - 2016

Het plan geeft voor de komende jaren de richting aan van het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Almelo met als doel de leefbaarheid in Almelo te vergroten, passend binnen de bekende economische en financiële mogelijkheden en beperkingen. In nauwe samenspraak met Almelose burgers, belangenorganisaties, bedrijfsleven en de gemeenteraad is in 2009/2010 een burgervisie op hoofdlijnen opgesteld. Deze visie “De Almelo Acht” is als uitgangspunt genomen voor het duurzaamheidsplan. Het plan is een verzamelplan van het duurzaamheidbeleid binnen de verschillende beleidsterreinen en daardoor integraal van opzet. Immers duurzaamheid is niet alleen milieu, het is heel breed en moet verankerd zijn op alle terreinen waarop de gemeente werkzaam is. Voor wat betreft het aspect water is het beleid uit het vGRP ten aanzien van de drie zorgplichten (afval-, hemel- en grondwater) overgenomen.

5.2 Waterparagraaf

5.2.1 Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.2.2 Watertoetsproces

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de zogenoemde 'normale procedure'. Dit vanwege het feit dat er sprake is van een toename van het verhard oppervlak van meer dan 1.500 m2 en er sprake is van de uitbreiding van een agrarisch bedrijf.

De bij de 'normale procedure' behorende uitgangspuntennotitie is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Hierna zal kort worden ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied.

5.2.3 Waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied
5.2.3.1 Algemeen

Het plangebied, gelegen in het buitengebied, bevindt zich niet binnen beschermingsgebied als een intrek-, grondwaterbeschermings- of waterwingebied.

De enige waterlopen nabij het plangebied betreffen afwateringssloten. Op deze sloten is de Keur niet van toepassing.

5.2.3.2 Grondwater

Er zijn op deze locatie geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Wel zal bij nieuwbouw rekening worden gehouden met voldoende ontwateringsdiepte zodat de kans op eventuele grondwateroverlast kleiner wordt.

5.2.3.3 Oppervlaktewater

Naar aanleiding van dit plan zal in beginsel geen extra oppervlaktewater gecreëerd worden. Er kan gesteld worden dat het plan geen nadelige gevolgen veroorzaakt voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

5.2.3.4 Hemelwater

Het schone hemelwater blijft gescheiden van het vuile bedrijfsafvalwater. Het niet-verontreinigd hemelwater wordt opgevangen waar mogelijk geïnfiltreerd of anders afgevoerd naar de omliggende sloten. Dit hemelwater is schoon, vrij van bedrijfsafvalwater en voerresten en afkomstig van de daken en de erfverharding op het bedrijf.

5.2.3.5 Afvalwater

Het afvalwater wordt afgevoerd naar de nabijgelegen riolering. Het betreft een drukriolering waarvoor een maximale afvoercapaciteit geldt van 1m3 gelijkmatig per uur. Voor grotere lozingen is een vergunning nodig. Eventueel kan bij een grotere afvoer op eigen terrein een voorziening (tijdelijke opvang) worden aangelegd.

Hoofdstuk 6 Juridisch aspecten en planverantwoording

6.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het wijzigingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels.

6.2 Opzet van de regels

6.2.1 Algemeen

In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan (en wijzigingsplan). Dit wijzigingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het wijzigingsplan bestaat uit planregels en een bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. Dit wijzigingsplan is gebaseerd op het moederplan 'Buitengebied Almelo' van de gemeente Almelo.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Slotregels.
6.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels bevatten:

  • Begrippen (Artikel 1)
    In dit artikel zijn enkele in het kader van de SVBP2012 verplichte begrippen en enkele aanvullende begrippen opgenomen die dienen ter verduidelijking van de in dit wijzigingsplan gehanteerde definities. Voor het overige worden de begrippen zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo', onverkort van toepassing verklaard.

  • Wijze van meten (Artikel 2)
    In dit artikel is de wijze van meten zoals opgenomen in het moederplan, het bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo', onverkort overgenomen.
6.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. In paragraaf 6.3 wordt deze bestemmingen nader toegelicht.

6.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. In dit hoofdstuk zijn de algemene regels zoals opgenomen in het moederplan, het bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo', onverkort overgenomen.

6.2.5 Overgangs - en slotregels

In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In dit hoofdstuk is het overgangsrecht zoals opgenomen in het moederplan, het bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo', onverkort overgenomen. In de slotregel wordt aangegeven hoe dit wijzigingsplan wordt genoemd.

6.3 Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmings- of wijzigingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmings- of wijzigingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat een bestemmings- of wijzigingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmings- of wijzigingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Agrarisch met waarden ( Artikel 3 )

De bestemming 'Agrarisch met waarden' zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo' is in dit wijzigingsplan overgenomen. Op de verbeelding behorende bij dit wijzigingsplan wordt het gewijzigde bouwvlak weergegeven. Zoals in paragraaf 1.4 al aangegeven is deze bestemming onder andere bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en ter plaatse van de aanduiding 'zorgboerderij' (deze aanduiding is niet gewijzigd t.o.v. het geldende bestemmingsplan) voor een zorgboerderij.

De bouwregels zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Almelo' zijn eveneens onverkort van toepassing. Dit betekent dat hoofdgebouwen (bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen) uitsluitend gebouwd mogen worden binnen het bouwvlak. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn in diverse vormen toegestaan. Voor zover een bouwwerk, geen gebouw zijnde niet specifiek wordt genoemd geldt hiervoor zowel binnen als buiten het bouwvlak een maximale bouwhoogte van 3 meter voor.

Bos (Artikel 4)

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor bos en bebossing, houtproductie, de bescherming van natuurwaarden, extensieve dagrecreatie, water en voorzieningen voor de waterhuishouding. Er mogen binnen deze bestemming geen gebouwen worden gebouwd. Uitsluitend zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met inachtneming van de maximale bouwhoogte.

Groen (Artikel 5)

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, tuinen, fiets- en/of voetpaden, verkeersvoorzieningen ten behoeve van het bestemmingsverkeer, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Er mogen binnen deze bestemming geen gebouwen worden gebouwd. Uitsluitend zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met inachtneming van de maximale bouwhoogte.

Waarde - Archeologische verwachting hoog/Waarde - Archeologische verwachting middelhoog (Artikel 6/Artikel 7)

Zoals in paragraaf 4.9.1 verwoord is ter bescherming van eventueel te verwachten archeologische waarden dubbelbestemmingen ten aanzien van archeologie opgenomen.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmings- of wijzigingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een plan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

In het voorliggende geval worden de gemeentelijke kosten, op basis van de legesverordening, verhaald op initiatiefnemer. Met initiatiefnemer wordt tevens een overeenkomst afgesloten voor tegemoetkoming in planschade. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven

Hoofdstuk 8 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen

8.1 Vooroverleg

8.1.1 Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

8.1.2 Provincie Overijssel

Vooroverleg met de provincie wordt in voorliggend geval niet noodzakelijk geacht. Dit vanwege het feit dat dit wijzigingsplan een uitwerking van een wijzigingsbevoegdheid betreft die haar basis vindt in een door de provincie goedgekeurd bestemmingsplan.

8.1.3 Waterschap Vechtstromen

Het waterschap is akkoord met de voorgenomen ontwikkeling.

8.2 Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen inspraak verleend.

8.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode zijn er geen zienswijzen binnengekomen.